Privacy Policies

 

zoek op onze site

  
 




 

 

Reisverslag Madagascar 2007

 
 
 29/30  april 2007 1 mei 2007  2 mei 2007 3 mei 2007 04 mei 2007

voor het verslag van het Madagascarbezoek door Rob de Wit

naar de voorpagina van de Madagascar-site
 

 

2 mei 2007: weinig vakantieverkeer

We zouden al om zeven uur vertrekken en onze auto met chauffeur was ruim op tijd, maar ons erf is momenteel een bouwplaats en de auto kwam in een spijker. Er ging een uur weg met het repareren van de band, dat moest in het dorp gebeuren en Njato en de chauffeur brachten het wiel er op de motor heen.
We vertrokken dus even na acht uur: Rob, Inge, Corine, Renard, Njato en ik. In het dorp pikten we père Richard op.
We besloten de volgorde Beloha, Sadabe, Antamponala, Morarano aan te houden. Op die manier zouden we vier van de zeven scholen in het district op één dag doen en de overige drie voor morgen bewaren.
Om in Beloha te komen reis je via Sadabe, daar stapte Njato even uit om onze komst, later die dag, aan te kondigen.
De weg was slecht, er was weinig verkeer. Toen er drie huifkarren langs kwamen zei Rob: “Oh, het vakantieverkeer is ook weer op gang gekomen.”

De school in Beloha ligt bovenop een kale heuvel in een volledig geërodeerde omgeving. Het schooltje heeft 250 leerlingen, die in twee ploegen les krijgen, en is in hoge mate afhankelijk van hulp om te kunnen blijven bestaan.

We werden er blij verwelkomd door zingende kinderen. We lieten, net als vorig jaar, een tiental ballonnen los en die leidden tot grote vreugde. Opvallend was dat de kinderen die een ballon te pakken kregen er niet mee gingen spelen, maar hem stevig vasthielden, voor zichzelf en niemand anders.
Dit keer waren we speciaal naar Beloha gekomen om de schade op te nemen aan de put omdat we hadden gehoord dat hij door een cycloon was verwoest. Door de druk van het omringende water waren de wanden van de put ingedrukt, waardoor er bakstenen de put waren ingevallen. Ze hadden en passant ook de motor beschadigd waarmee het water omhoog wordt gepompt. Er is nu dus gewoon domweg geen water meer voor de kinderen. Het is precies één jaar goed gegaan. Nu bleek plotseling dat er niet slechts drie buses (duikers) ontbraken (zoals ik al die tijd had gedacht), maar 23 van de 26 waarvoor we destijds hebben betaald. De buses zijn essentieel om de druk van het grondwater op te vangen. Ik was erg aangeslagen. Njato en Renard ook.
De drie onderwijzers zeiden dat ze het al die tijd hadden geweten, maar dat père Jean, die verantwoordelijk was voor de bouw, hen had bezworen er niet over te praten. Dat hadden ze dus ook niet gedaan, want ze waren bang voor ontslag. Ze hadden gezien dat père Jean samen met de aannemer 3 buses had afgeleverd met een vrachtwagen met bouwmateriaal voor de put. Ik besloot dat ik dit tot op de bodem uit zou zoeken.

De kinderen in de drie klassen zongen blij, ondanks het feit dat ze alwéér niets te drinken hadden.

 


 

In de auto op weg naar Sadabe, zei ik dat ik père Jean zou aangeven bij de Gendarmerie. Père Richard zei dat dat me natuurlijk vrij stond, maar dat ik beter eerst contact op kon nemen met de bisschop van het district. Père Jean is namelijk nog steeds priester.
In Sadabe stonden de kindertjes in rijen opgesteld op het schoolplein om ons toe te zingen en dansjes te doen. Ook hier hadden de kinderen veel plezier met de ballonnen, maar ze hielden ze hier niet voor zichzelf: ze gaven ze aan de kleine kinderen, zonder dat ze daartoe gedwongen werden overigens.

Hier was ook een probleem: men wilde graag uitbreiding met nog een schoolgebouw. De ouders hadden al heel wat geld ingezameld en wat ontbrak was 800 euro. Dat leek me geen groot probleem, hoewel père Maruca een dag eerder een andere voorstelling van zaken had gegeven. Volgens hem kon er geen extra gebouw neergezet worden op het schoolterrein omdat er dan te weinig ruimte over zou blijven om te spelen en terrein er bij kopen was erg duur. Sadabe is namelijk een handelscentrum en de grondprijzen zijn er flink omhoog gegaan (je praat dan niet over duizenden euro’s hoor). We stelden vast dat het probleem alleen in het hoofd van pater Maruca bestond: het speelterrein is groot zat.
Op een muur van een klaslokaal in Sadabe zag ik een foto van Sam en Peter Molenaar. Peter Molenaar is een ex-directielid van het Aloysius College en is hier vier jaar geleden geweest. Grappig om hier een foto van een bekende te zien!
In Sadabe hadden ze weer voor een heerlijke lunch gezorgd.

Na Sadabe zetten we koers naar Antamponala. Omdat het woensdagmiddag was, was de school dicht. De juf woonde in een ander dorp en iemand ging er op de fiets heen om haar te waarschuwen dat er bezoek voor haar was.
We hebben anderhalf uur gewacht. Het hele dorp liep uit. Ik zag Herilanja terug, het jongetje dat ik in 2001 fotografeerde met een baby op zijn rug en vorig jaar weer voor het eerst ontmoette: hij was in die vijf jaar nauwelijks gegroeid. Nu ging hij het kind halen dat hij in 2001 op zijn rug had gehad en zijn moeder kwam ook mee. Het kleine kind bleek vier jaar en dat was twee jaar jonger dan mogelijk was, gezien het tijdstip van de foto. Toen ik daar op wees werd het kind van zes gehaald: een stevig meisje. Ze klom op de rug van haar broertje voor weer een foto. Ik gaf de vrijwel tandeloze moeder 10.000 ariary (4 euro) en even later kwam ze terug met een bos uien: lekker voor onderweg!
 


De kinderen van het dorp zongen voor ons en wij zongen Nederlandse kinderliedjes voor hen.
Ik liep wat rond: vergeleken met zes jaar terug is het dorp een idylle die langzaam vervaagt. De bedrijvigheid is zichtbaar afgenomen en het is héél erg arm. Vrijwel niemand draagt hele kleren, iedereen is vies en bijna alle vrouwen zijn zwanger.
Toch is er ook humor. Men zei dat Rob erg op père Edouard leek, een Nederlandse pater die jaren geleden met de hulp aan dit district is begonnen. Toen Rob zei: “Ik bén père Edouard.”, barsten de mensen in schaterlachen uit: père Edouard is namelijk al jaren dood.

 


 

Na anderhalf uur wachten besloten we toch maar te vertrekken omdat we anders veel te laat in Morarano zouden arriveren. We kwamen de onderwijzeres onderweg tegen en gaven haar de meegebrachte cadeaus, een paar schetsboeken, potloden en kleurpotloden. Ze verontschuldigde zich om dat ze er niet was toen wij kwamen, maar zij woont bij haar man in het andere dorp.

Door het prachtige landschap reden we naar Morarano. De wegen zijn nog steeds ongelofelijk slecht. Toen ik tegen de chauffeur zei dat ik niet begreep waarom de dorpsbewoners niet zelf de reparatie van de wegen ter hand namen zei hij: “Daar hebben ze de tijd niet voor, ze zijn de hele dag voedsel aan het regelen.”
In Morarano waren heel veel vuile kinderen in kapotte kleren, maar helaas geen onderwijzers. Ook hier was het woensdagmiddag en dus vrij.

 


 

Eenmaal terug vertelde ik madame Louise hoe erg ik onder de indruk was van het instorten van de put en de rol van père Jean. Ook Louise zit daar erg mee. Zij heeft ons geholpen de put af te maken en wij hebben er toentertijd mee ingestemd dat dat met stenen zou gebeuren. We bedachten dat de oplossing van de bisschop zou moeten komen.